Uitleg ‘wettig en overtuigend’ bewezen

“Wettig en overtuigend” bewezen achten betekent niet dat er volstrekte zekerheid is dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Voldoende voor veroordeling is dat de rechter ‘geen redelijke twijfel’ heeft over het daderschap van de verdachte die wordt vervolgd. Dat houdt in dat de bewijsconstructie die in geval van bewezenverklaring moet worden gebouwd, in beginsel logisch sluitend moet zijn en geen reële ruimte mag laten voor alternatieve verklaringen of scenario’s, waarin de verdachte níet als dader valt aan te merken. Dergelijke scenario’s moeten als uiterst onwaarschijnlijk buiten de deur kunnen worden gezet. Het antwoord op de vraag wanneer daarvan sprake is, raakt aan de grondslagen van ons strafprocesrecht. Enerzijds immers moet zo mogelijk worden voorkomen dat een ‘vals positieve beslissing’ wordt genomen en een verdachte als dader wordt aangemerkt, terwijl hij of zij het misdrijf niet heeft begaan. Anderzijds leiden ‘vals negatieve beslissingen’ – de dader wordt wegens gebrek aan bewijs, omdat een alternatief maar het oordeel van de rechter niet kan worden uitgesloten – er toe dat schuldigen (in beginsel) onbestraft blijven. Dat laat slachtoffers en nabestaanden in de kou staan en kan – indien dat vaak en zonder goede redenen gebeurt - uiteindelijk afbreuk doen aan het gezag van de strafrechtspraak en de gelding van de strafwet. De rechter zal van zaak tot zaak moeten beoordelen of de marges van onzekerheid (die eigenlijk in vrijwel elke zaak bestaan) in de weg moeten staan aan een bewezenverklaring of kunnen worden aanvaard. Het moge duidelijk zijn dat, naarmate het feit (zoals de onderhavige levensberoving) ernstiger is (en de op te leggen straf zwaarder) enerzijds minder onzekerheid kan worden aanvaard, en – soms daartegenover – de maatschappelijke behoefte (naast die van slachtoffers of nabestaanden!) een dader aan te kunnen wijzen, navenant groter is.
Het is mede om die reden dat in grotere strafzaken een groot aantal nadere onderzoeken en rapportages door de politie en forensische onderzoeksinstellingen worden gevraagd, teneinde open einden zo mogelijk af te hechten en op bepaalde punten maximale duidelijkheid te verkrijgen. Daarmee wordt recht gedaan aan de belangen die met de waarheidsvinding zijn gemoeid.

De overtuiging die de rechter moet krijgen dat de verdachte de dader is van het verweten misdrijf, dient de rechter te baseren op wettige bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen moeten een logische grondslag voor de bewezenverklaring vormen en mogen geen redelijke twijfel open laten. Eventuele lacunes moeten worden geïdentificeerd en uitgelegd moet worden waarom zij geen afbreuk doen aan de deugdelijkheid van de bewijsconstructie. De rechter moet in een zaak als de onderhavige bij voorkeur ook over enkele ‘robuuste’ bewijsmiddelen beschikken die een eenduidig en onbetwistbaar verband tussen de verdachte en het verweten misdrijf leggen. Aan zodanige bewijsmiddelen ontbreekt het echter vergaand in deze zaak. Er zijn geen menselijke getuigen van het misdrijf. Het aantal ‘stille’ getuigen is in aantal en zeggingskracht zeer beperkt en aan die stille getuigen wordt bovendien door de deskundigen verschillende betekenis toegekend.

> Selectie bewijsmiddelen

Deel deze paginaShare on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn