Doorlaten goederen

Hoewel in art. 126ff lid 1 en 4 Sv de verplichting tot inbeslagneming is beperkt tot die situaties waarin sprake is van toepassing van de bijzondere opsporingsbevoegdheden genoemd in de titels IVa tot en met Va van het Wetboek van Strafvordering geldt (gelet op het stelsel van het Wetboek van Strafvordering) de verplichting tot onmiddellijke inbeslagneming, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, ook voor alle andere situaties waarin opsporingsambtenaren de vindplaats weten van verboden schadelijke of gevaarlijke voorwerpen.

Er is sprake van ‘weten’ in de zin van art. 126ff Sv op het moment dat bij opsporingsambtenaren een voldoende mate van zekerheid bestaat over het verboden karakter van de voorwerpen en de vindplaats hiervan. Het zal in dit geval moeten gaan om aanwijzingen die redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel laten dat de in art. 126ff Sv aangeduide voorwerpen op de betreffende plaats aanwezig zijn. Indien er slechts een redelijk vermoeden bestaat omtrent de aard en/of de vindplaats van de voorwerpen dan geldt er dus geen verplichting tot inbeslagneming.

Uitstel van inbeslagneming

Uitstel van inbeslagneming, feitelijk te beschouwen als gecontroleerde aflevering, mag alleen plaatsvinden indien op een later tijdstip alsnog wordt overgegaan tot inbeslagneming van de voorwerpen. De controle op die voorwerpen zal van dien aard moeten zijn dat politie en justitie alle maatregelen nemen die redelijkerwijs mogelijk zijn om de beoogde inbeslagneming te kunnen realiseren.

In de toelichting op het amendement waarmee art. 126ff is geïntroduceerd in hetWetboek van Strafvordering, is uitdrukkelijk aangegeven dat het verbod op doorlaten het Nederlandse softdrugsbeleid onverlet laat. Dit beleid is verwoord in de Aanwijzing Opiumwet (2000A019). Naar analogie van de uitgangspunten die in deze aanwijzing zijn opgenomen, kan als richtsnoer gelden dat de verplichting tot inbeslagneming van art. 126ff Sv niet geldt voor die situaties die op grond van de richtlijn worden gedoogd.

> Meer informatie gecontroleerde aflevering

Afzien van inbeslagneming

In geval van hoge uitzondering kan de officier van justitie op grond van de artt. 140a Sv en 131 lid 5 RO slechts overgaan tot een bevel afzien van inbeslagneming nadat het College, na overleg met de Minister van Justitie, een voorafgaande schriftelijke toestemming heeft gegeven.

> Meer informatie afzien inbeslagneming

Deel deze paginaShare on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn