Uitgangspunt: opsporingsbevoegdheden hebben wettelijke basis

Uitgangspunt van de Bob-wetgever is geweest dat opsporingsmethoden die inbreuk maken op de privacy een specifieke grondslag in de wet behoeven en dus niet kunnen worden gebaseerd op taakstellende bepalingen als art. 3 Politiewet 2012 of art. 141 Sv. Dat geldt dus ook voor opsporingsmethoden die slechts een beperkte inbreuk op de privacy maken. Alleen opsporingsmethoden die geen inbreuk op de privacy maken, kunnen, net zoals vóór 2000 het geval was, worden gebaseerd op genoemde taakstellende bepalingen. In de MvT (Kamerstukken II 1996/97, 25403, nr 3 p. 13) wordt gesteld dat "het buiten twijfel verheven is dat opsporingshandelingen die geen inbreuk op enig grondrecht inhouden, gebaseerd kunnen worden op de bestaande artikelen als artikel 2 van de Politiewet 1993 en de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering".
(Zie voor een relativering van het onderscheid tussn taakstellende en bevoegheidverlenende bepalingen: Knigge & Kwakman, in tweede interimrapport Strafvordering 2001, p. 310 e.v.)

Toekomstige opsporingsmethoden

Dit uitgangspunt had een programmatisch karakter. De wetgever regelde de opsporingsmethoden die "naar huidig inzicht" een inbreuk op de privacy maken. De regering sloot niet uit dat er buitenwettelijke opsporingsmethoden zijn of komen waarvan in de toekomst door de rechter zal worden geoordeeld dat zij inbreuk maken op de privacy. In dat geval zal, zo wordt in de MvT gesteld, "de wetgever uiteraard zijn verantwoordelijkheid moeten nemen en een regeling van die methode moeten geven".(Kamerstukken II 1996/97, 25403, nr 3 p. 12)
Dat betekent dat de wetgever de rechtmatigheid van opsporingsmethoden niet volledig afhankelijk heeft gemaakt van de vraag hoe het privacybegrip in de toekomst in Straatsburg zal worden ingevuld. Een opsporingsmethode waarvan de wetgever heeft geoordeeld dat zij een wettige basis vindt in art. 3 Politiewet 2012, wordt niet ineens onrechtmatig indien het Europese Hof van oordeel blijkt te zijn dat die methode een (geringe) inbreuk op de privacy maakt. Dat Straatsburgse oordeel dwingt daartoe niet, tenminste niet als het Europese Hof tevens oordeelt dat die inbreuk "in accordance with the law" is (want gebaseerd op art. 2 Politiewet 1993). De consequentie die de wetgever aan een dergelijk oordeel verbindt, is dat hij aan de slag moet, niet dat de Nederlandse rechter de opsporingsmethode (die door de Straatsburgse beugel kon) voortaan voor onrechtmatig moet houden.

Naar huidig inzicht inbreuk makende opsporingsmethoden

Beslissend voor de vraag of een opsporingsmethode een voldoende grondslag vindt in bepalingen als art. 3 Politiewet  en art. 141 Sv. is mijns inziens dus niet of die methode inbreuk maakt op de privacy, maar of de methode naar het "huidig" inzicht van de wetgever inbreuk maakt op de privacy.
Zo heeft de wetgever in de Wet Bob de grens tussen vormen van observatie die inbreuk maken op de privacy en vormen van observatie die dat niet doen, getrokken met behulp het begrip stelselmatige observatie (zie de art. 126g en 126o Sv). Dat wil zeggen dat vormen van observatie die niet als stelselmatige observatie in de zin der wet kunnen worden aangemerkt, naar het inzicht van de wetgever geen inbreuk op de privacy maken en dus een toereikende grondslag vinden in de genoemde taakstellende bepalingen.

Samenvattend

Samenvattend kunnen we dus stellen dat:

  1. De Wet BOB geen limitatieve / uitputtende opsomming geeft van de (bijzondere) opsporingsbevoegdheden
  2. Alleen opsporingsmethoden die zeer risicovol zijn voor integriteit en de beheers­baarheid van opsporing, of die inbreuk maken op grondrechten en vrijheden burgers, moeten voldoende een voldoende specifieke basis hebben in de wet
  3. Wanneer opsporingsbevoegdheden niet in de wet zijn opgenomen, kan de bevoegdheid eventueel op art. 3 Politiewet en art. 141 en 142 Sv. worden gebaseerd mits deze opsporingsbevoegdheden slechts beperkt inbreuk maken op grondrechten van burgers en niet zeer risicovol voor integriteit en beheersbaarheid opsporing. 

Voorbeelden van niet wettelijk geregelde opsporingsbevoegdheden zijn

  1. Het doorzoeken van vuilniszakken
  2. Het in het openbaar fotograferen van personen
  3. Statische observatie van een bedrijfsterrein vanaf een openbaar terrein
  4. Niet-stelselmatige observatie van personen (bijv. kortdurende observatie veelpleger)
  5. Betreden van voortuin en het openen van brievenbus ivm het ruiken van hennep
  6. Kijken in afgesloten kluis / locker op school
  7. Flockvezelmethode
  8. 'Rondkijken' op internet
  9. Inzet van de imsi-catcher en stealth-sms
  10. Buurtonderzoek
  11. Het gebruik van een tracer/markerals opsporingsmiddel

Enz……

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden