Bijzondere opsporingsbevoegdheden algemeen

Op 1 februari 2000 is de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: Wet BOB) in werking getreden. Deze wet introduceerde in Boek I van het Wetboek van Strafvordering een regeling voor nieuwe opsporingsbevoegdheden en daarmee samenhangende procedures. Deze wet was een uitvloeisel van het onderzoek dat door de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (PEC) is verricht naar de praktijk van de opsporing en de door deze commissie gedane normeringvoorstellen.

Uitgangspunt: BOB voor alle inbreukmakende opsporingsmethoden

Uitgangspunt van de Bob-wetgever is geweest dat opsporingsmethoden die inbreuk maken op de privacy een specifieke grondslag in de wet behoeven. De Wet BOB bevat echter géén allesomvattende opsomming van de (bijzondere) opsporingsbevoegdheden in Sv. De opsporingsbevoegdheden die niet in de Wet zijn opgenomen kunnen wellicht nog worden gebaseerd op taakstellende bepalingen als art. 3 Politiewet 2012 of art. 141 Sv, mits die opsporingsmethoden slechts een beperkte inbreuk op de privacy maken. 

> Meer informatie uitgangspunt bij inzet (bijzondere) opsporingsbevoegdheden

Overzicht bijzondere opsporingsbevoegdheden

Met de komst van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden is het wetboek van strafvordering uitgebreid met een arsenaal aan nieuwe opsporingsbevoegdheden:

  1. Stelselmatige observatie (art. 126g en 126o Sv.)
  2. Infiltratie (art. 126h en 126p Sv.)
  3. Pseudokoop of pseudodienstverlening (art. 126i en 126q Sv.)
  4. Undercover stelselmatig inwinnen van informatie (art. 126j en 126qa Sv.)
  5. Opnemen vertrouwelijke communicatie (art. 126l en 126s Sv.)
  6. Onderzoek van communicatie dmv geautomatiseerde werken 
  7. Vordering verstrekking gegevens

De bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn opgenomen in de titels IVa en V. Inhoudelijk gezien komt de omschrijving van de in deze titels opgenomen opsporingsbevoegdheden nagenoeg overeen en gelden vrijwel ook dezelfde procedurele voorschriften.

Overige wet- en regelgeving

Sinds de inwerkingtreding van de Wet BOB zijn op het gebied van de opsporingsbevoegdheden diverse nieuwe wetten in werking getreden, zoals de Wet Bevoegdheden vorderen gegevens (Stb. 2005, 390), de Wet Computercriminaliteit II (Stb. 2006, 300) en de Wet verruiming mogelijkheden opsporing en vervolging van terroristische misdrijven (Stb. 2006, 731) en zijn thans de bijzondere opsporingsbevoegdheden opgenomen in de titels IVa tot en met VC van Boek I van het Wetboek van Strafvordering.

Onderscheid titels IVa, V, en Vb Sv.

In de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden wordt onderscheid gemaakt voor de inzet van de verschillende bevoegdheden
(Kamerstukken II 25403, nr. 3 (MvT Wet Bob):

1. Bevoegdheden voor opsporing van misdrijven (titel IVa Sv. - artt. 126g t/m 126ni Sv.)
2. Bevoegdheden onderzoek beramen of plegen ernstige misdrijven in georganiseerd verband (titel V - artt. 126o t/m 126ui Sv.)
3. Bevoegdheden opsporing terroristische misdrijven (titel Vb - artt. 126za t/m 126zs Sv.)

> Meer informatie onderscheid opsporingsbevoegdheden

 

Deel deze paginaShare on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn